Hoofdstuk 3 Stimuli

3.1 Samenvatting en verdieping

In dit hoofdstuk wordt besproken:
  • Waarneming
  • Stimuli
  • Verstoringen in de waarneming
  • Stimuli ontwerpen of selecteren
  • Teksten, taal, en interpretatie
Deze stof wordt behandeld in de volgende Open Universiteitscursus(sen):
  • Onderzoekspractium cross-sectioneel onderzoek (PB0812)
  • Onderzoekspractium experimenteel onderzoek (PB0412)
Dit hoofdstuk bouwt voort op deze andere hoofdstukken:
  • Wetenschap
  • Psychologie

3.2 Waarneming

Mensen en andere organismen kunnen dingen waarnemen. Dat lijkt misschien triviaal, maar alleen al over waarneming zouden hele opleidingen gevuld kunnen worden. Wat waargenomen kan worden verschilt bijvoorbeeld sterk tussen diersoorten. Neem bijvoorbeeld zicht: waar menselijke ogen drie receptoren hebben om kleuren waar te nemen (rood, groen en blauw), hebben bidsprinkhaankreeften er zestien (zie voor mee interessante weetjes over dit fascinerende beestje https://theoatmeal.com/comics/mantis_shrimp). Zij zien kleuren die wij ons niet eens voor kunnen stellen, maar er wel zijn (hoewel onzichtbaar voor ons).

Een ander voorbeeld is het menselijk gehoor: dat kan tonen van ongeveer 20 tot 20 000 Hertz waarnemen. Honden kunnen heel lage tonen wat minder goed waarnemen, maar kunnen wel veel hogere tonen horen (tot 45 000 Hertz).

Net als dat de ‘bandbreedte’ van de zintuigen verschillen tussen organismen, verschillen ook de beschikbare zintuigen. Mensen hebben er vijf: zicht, gehoor, reuk, smaak, en tast. Er zijn diersoorten die minder zintuigen hebben, en er zijn diersoorten die er meer hebben. Octopussen hebben bijvoorbeeld geen gehoor, en de Mexicaanse blinde holenvis heeft geen ogen. Olifanten kunnen trillingen in de aarde voelen en gebruiken om te communiceren; haaien kunnen electriciteit waarnemen; en vleermuizen, walvissen en dolfijnen kunnen sonar gebruiken om te navigeren (hoewel je dat onder ‘gehoor’ zou kunnen scharen).

3.3 Stimuli

Elk organisme kan dus maar een deel van de wereld waarnemen (en mensen zijn in dit opzicht niet bijzonder goed bedeeld). Iets dat een of meer van de zintuigen kan stimuleren heet een stimulus. Voor mensen is dus een geluid tussen de 20 en 20 000 Hertz een stimulus, maar een geluid van 40 000 Hertz niet. Een plaatje dat op een muur wordt geprojecteerd in groen (zeg met een golflengte van 530 nanometer, oftewel een frequentie van 566 terahertz) is voor mensen een stimulus, maar als dat plaatje wordt geprojecteerd in ultraviolet (zeg met een golflengte van 300 nanometer, oftewel een frequentie van 1000 terahertz), dan is dat voor mensen niet zichtbaar.

3.4 Verstoringen in de waarneming

Er is dus maar een beperkt aantal zintuigen beschikbaar; elk zintuig kan maar een aspect of enkele aspecten van de wereld waarnemen; en van dat aspect kan maar een beperkte bandbreedte worden waargenomen. Onze waarneming is nog verder beperkt doordat we in een driedimensionele wereld leven. Dat betekent dat er soms dingen in de weg staan van onze waarneming. Je ziet bijvoorbeeld niet wat er achter een dichte deur staat.

Omdat organismen zijn geëvolueerd in een wereld waarin objecten in de weg staan en geluiden en geuren elkaar kunnen overstemmen worden gedeeltelijk waargenomen patronen vaak automatisch ingevuld. Dat gaat vaak goed, maar niet altijd. Daardoor heb je soms het idee dat iemand iets zegt terwijl dat niet het geval is; of dat je iemand in een menigte ziet die er niet is.

Er is dus een verschil tussen een stimulus zoals die wordt verwerkt door iemands zintuigen (e.g. ogen of oren) en de stimulus zoals die persoon die waarneemt en vervolgens interpreteert. Een voorbeeld van dit verschil is de bekende “eend-konijn illusie” in Figuur 3.1.

De eend-konijn illusie: een figuur dat, afhankelijk van hoe je er naar kijkt, lijkt op een eend of een konijn.

Figuur 3.1: De eend-konijn illusie: een figuur dat, afhankelijk van hoe je er naar kijkt, lijkt op een eend of een konijn.

3.5 Stimuli ontwerpen of selecteren

Manipulaties van psychologische constructen bestaan altijd uit een procedure en vaak een of meer stimuli. Meetinstrumenten voor psychologische constructen bestaan ook altijd uit een procedure, de registratie van een of meerdere responsen, en vaak ook een of meer stimuli. Bij psychologisch onderzoek is het dus vaak nodig om stimuli te ontwerpen of selecteren.

Deze sectie moet nog worden uitgebreid. Dit zal (uiterlijk) gebeuren als de betreffende stof wordt gebruikt in een cursus; dit is waarschijnlijk de volgende revisie van Onderzoekspracticum experimenteel onderzoek.

3.6 Teksten, taal, en taalgebruik

Deze sectie moet nog worden uitgebreid. Dit zal (uiterlijk) gebeuren als de betreffende stof wordt gebruikt in een cursus; dit is waarschijnlijk de volgende revisie van Onderzoekspracticum experimenteel onderzoek.