Hoofdstuk 2 Psychologie

In dit hoofdstuk wordt besproken:
  • nadenken over mensen
  • patronen herkennen
  • psychologische technologie
  • wetenschappelijke integriteit in psychologisch onderzoek
Deze stof wordt behandeld in de volgende Open Universiteitscursus(sen):
  • Onderzoekspracticum cross-sectioneel onderzoek (PB0812)
Dit hoofdstuk bouwt voort op deze andere hoofdstukken:
  • Wetenschap

2.1 Inleiding

De psychologie is zowel de naam van een wetenschap als van het object van studie van die wetenschap: de menselijke psychologie. De psychologie bestudeert onder andere het waarnemen, voelen en denken. Kennis en onderzoek van de psychologie overlapt met dat van andere wetenschappen, zoals de biologie (denk aan de ongeveer 90 miljard zenuwcellen waaruit onze hersenen bestaan), de filosofie (denk aan het bewustzijn) en andere sociale wetenschappen zoals de sociologie, anthropologie en onderwijswetenschappen.

2.2 Nadenken over mensen

Psychologie is in zeker zin een paradoxale wetenschap. Iedereen voelt zich nauw verbonden en zeer bekend met het onderwerp van studie: iedereen neemt waar, voelt en denkt. Intuïtief voelt het alsof we prima kunnen nadenken over wat we zelf en wat anderen denken en voelen. We redeneren allemaal over waarom mensen dingen doen. Maar in feite staat de wetenschap nog in de kinderschoenen en begrijpen we nog maar heel weinig van de menselijke psychologie. Tegelijkertijd vereist het redeneren over waarom mensen dingen doen op basis van theorieën en evidentie uit de psychologie verregaande specialisatie.

Nadenken over jezelf en anderen gaat prima, maar het is geen betrouwbare methode om inzicht te krijgen in hoe mensen functioneren. Dit komt onder andere omdat mensen uitzonderlijk goed zijn in het opmerken van patronen. Logisch: het is heel handig om mogelijke roofdieren goed te kunnen onderscheiden van zwerfkeien of fruitbomen. Onze waarneming is erop gericht om onze omgeving zo snel mogelijk te categoriseren, maar hierin kunnen we ook makkelijk fouten maken.

Vaak nemen we de wereld maar in delen waar: een dier staat bijvoorbeeld half achter een boom. Daarom zijn we getraind om de ontbrekende onderdelen in te vullen. Door die invulling neem je een volledig hert waar, ook al zie je alleen de kop en het gewei. Ons brein compenseert dus voor gebrekkige waarneming door zelf in te vullen. Maar daardoor nemen we ook vaak patronen waar die niet bestaan. Visuele illusies zijn hier een goed voorbeeld van. Kijk bijvoorbeeld eens naar de kunstwerken die Akiyoshi Kotaoka maakt en via zijn Twitter account deelt: https://twitter.com/akiyoshikitaoka.

2.3 Abstracte patronen herkennen

Het herkennen en invullen van patronen gebeurt niet alleen voor geluiden en beelden, maar ook voor meer abstracte onderdelen van de wereld. Dit vindt onder andere plaats door middel van conditionering. De experimenten van Pavlov zijn hiervan een bekend voorbeeld. Klassieke conditionering is een leerproces waardoor een organisme (zoals een mens) leert om bepaalde stimuli te koppelen aan een in principe ongerelateerde gebeurtenis (Crutzen & Peters, 2018). De honden in Pavlov’s experimenten leerden het patroon herkennen dat ze eten konden verwachten als er een belletje klonk (zie Figuur 2.1).

Klassieke conditionering: een hond kwijlt als ze eten ziet (1) maar niet als een bel klinkt (2); door herhaaldelijk het eten en de bel tegelijk aan te bieden (3) worden deze gekoppeld, zodat de hond na verloop van tijd eten verwacht en gaat kwijlen als de bel rinkelt (4).

Figuur 2.1: Klassieke conditionering: een hond kwijlt als ze eten ziet (1) maar niet als een bel klinkt (2); door herhaaldelijk het eten en de bel tegelijk aan te bieden (3) worden deze gekoppeld, zodat de hond na verloop van tijd eten verwacht en gaat kwijlen als de bel rinkelt (4).

Het herkennen van abstracte patronen via klassieke conditionering is nuttig. Dieren die leren om alvast weg te rennen wanneer ze het gebrul van een roofdier horen, ondanks dat het gebrul zelf ze niets kan doen en ze nog nergens een roofdier hebben gezien, hebben meer overlevingskansen dan organismen die eerst met eigen ogen willen zien of dat gebrul echt wel van een roofdier komt. Maar helaas is dit leerproces waarbij stimuli aan gebeurtenissen gekoppeld worden geen garantie dat alleen echt bestaande, oorzakelijke verbanden worden geobserveerd. De hond die denkt dat het belletje eten veroorzaakt is hier een voorbeeld van: belletjes leiden niet tot eten. In plaats daarvan is er een derde factor, de onderzoeker, die beiden ‘veroorzaakt’.

Bij mensen zijn er veel voorbeelden van soortgelijke denkfouten. Een bekend voorbeeld is de constatering dat er meer mensen zich melden met kwallenbeten als er meer ijs wordt verkocht. Wellicht bevat ijs bepaalde voedingsstoffen die door kwallen worden opgepikt en hen aantrekken. Zo’n scenario klinkt best plausibel, en dat is een probleem. Het is namelijk gebaseerd op de aanname dat de twee observaties (hoeveel ijs er wordt verkocht, en hoeveel kwallenbeten er worden gemeld) een oorzaak-gevolg relatie hebben. Maar in dit geval worden beiden verklaard door het weer. Bij mooi weer kopen mensen vaker een ijsje en gaan ze vaker zwemmen, waardoor ze dus vaker door kwallen worden gebeten.

In deze situatie geldt de uitspraak ‘correlatie impliceert geen causatie’. Correlatie staat hier synoniem voor ‘relatie’ en ‘causatie’ staat voor een oorzaak-gevolgrelatie. Deze uitspraak zegt dus ‘dat er een verband is tussen twee dingen, is nog geen reden om aan te nemen dat een van de twee het andere veroorzaakt.’ Tegelijkertijd hebben mensen de neiging om verbanden toch op die manier waar te nemen.

Deze neiging is waarom de wetenschappelijke methode zo belangrijk is. Zonder een systematische aanpak en een zorgvuldige, onafhankelijke, verantwoordelijke, eerlijke en transparante manier van onderzoek doen is het heel makkelijk om je te laten misleiden door patronen waarvan je denkt ze te zien. Maar er is nog een reden waarom het toepassing van de wetenschappelijke methode belangrijk is in de psychologie. Daar gaan we in de volgende paragraaf op in.

2.4 De complexe mens in een complexe wereld

Een uitdaging van onderzoek naar mensen is dat de menselijke psychologie complex is (zie hoofdstuk Constructen). Iedereen die wel eens heeft gereflecteerd op de eigen manier van denken en doen, dat van hun naasten en van andere mensen, zal bevestigen dat mensen veelzijdig en complex zijn en dat iedereen anders is. Hoewel er veel overeenkomsten zijn, zijn er ook heel veel verschillen. Die individuele verschillen zijn lang niet altijd het onderwerp van studie: vaak wordt juist geprobeerd om algemene processen in kaart te brengen, en dan manifesteert het feit dat deze bij iedereen net iets anders zijn zich als ruis.

Ook de wereld is complex: de tijd verstrijkt, het weer verandert, seizoenen veranderen, soms wordt er aan de weg gewerkt, soms breekt er een pandemie uit. Er zijn ontelbaar veel invloeden op de menselijke psychologie en de toestand waarin een mens zich bevindt. Zelfs wanneer mensen meedoen aan een onderzoek gebeurt er ontzettend veel tegelijk. Ook dit manifesteert zich vaak als ruis, oftewel meetfout (zie hoofdstuk Betrouwbaarheid). De signaal-ruisverhouding is vaak zo laag dat de effecten maar heel klein zijn. Dat is onhandig, want hoe kleiner een effect is, hoe meer deelnemers er nodig zijn om het effect te kunnen detecteren.

Bovendien zijn mensen anders dan bijvoorbeeld planten. Als je bijvoorbeeld een studie doet naar hoe gerst groeit (Fisher & Wishart, 1930), dan denkt die gerst niet na over de situatie waarin die zich bevindt. Gerst heeft geen opvattingen over de meetinstrumenten die worden gebruikt. Als je een vragenlijst bij een gerstveld legt of een gerstveld blootstelt aan aan auditieve stimulus zoals het nummer ‘The madness and the damage done’ van de Noorse band Shining, is de reactie altijd precies hetzelfde. Sterker nog, die reactie is hetzelfde bij alle graansoorten.

Voor mensen geldt dat niet: diezelfde auditieve stimulus kan een breed scala aan reacties uitlokken – en die reacties hangen deels af van de inkadering. Als je deelnemers vertelt wat er gaat gebeuren, zal hun reactie anders zijn dan als je ze verrast. Hoe je omgaat met deelnemers en hun gedachten en gevoelens, zelfs als deze niet direct verband houden met de studie, manifesteren zich dus ook als ruis.

Kortom, mensen zijn niet het meest handige onderzoeksonderwerp.

2.5 Psychologische technologie

Wetenschappelijke disciplines zoals de natuurkunde, scheikunde en geneeskunde hebben duidelijke technologieën afgeleverd. Voor de psychologie is dit minder duidelijk, hoewel ook hier er een grote behoefte is aan technologie.

Veel van de problemen waar onze maatschappij mee te maken heeft ontstaan door menselijk gedrag en de menselijke psychologie. Depressie, burn-out en angststoornissen verlagen de kwaliteit van leven van honderdduizenden mensen in Nederland. Daarnaast sterven er mensen vroegtijdig als gevolg van alcoholgebruik, roken, gebrek aan lichaamsbeweging of een ongezond dieet. Ook bij de verspreiding, of beperking, van pandemieën speelt menselijk gedrag een heel grote rol.

Voor sommige van deze zaken heeft de psychologie technologieën ontwikkeld. Psychotherapie is een voorbeeld van een psychologische technologie, net zoals de gedragsveranderingsmodellen die worden gebruikt om preventiecampagnes te ontwikkelen. Voor deze voorbeelden zijn er decennia aan onderzoek beschikbaar. Het aantal studies naar verschillende therapievormen is enorm – zelfs het aantal literatuurstudies die de resultaten van deze studies samenvoegen, is onzettend groot.

Maar de roep om ‘psychologische technologie’ is soms ook sterk op gebieden waar nog weinig evidentie is. Zoals eerder beschreven, hebben veel mensen op basis van hun dagelijkse leven soms de ervaring dat ze goed inzicht hebben in andere mensen en zichzelf. Het resultaat is dat er psychologische technologieën worden ontwikkeld en verkocht die niet gebaseerd zijn op wat inmiddels bekend is over de menselijke psychologie. Soms wordt er achteraf onderzoek gedaan naar die methoden. Maar je kunt je afvragen of het doel van dit onderzoek dan niet meer gericht is op het vinden van bewijs voor effectiviteit, in plaats van om de effectiviteit objectief te onderzoeken.

Een tweede complicatie in de ontwikkeling van goede psychologische technologieën is dat sommige onderzoekers soms een toepassing promoten die zij zelf hebben ontwikkeld op basis van hun eigen onderzoek. Soms verdienen de onderzoekers geld aan de toeassing of ontlenen hier prestige of status aan, terwijl ze tegelijkertijd onderzoek naar hun eigen toepassing blijven doen. Ook in die gevallen speelt er belangenverstrengeling, waardoor de onderzoekers soms niet meer open staan voor de mogelijkheid dat hun eigen ontwikkelde psychologische technologie niet werkt.

Bij toegepast onderzoek bestaat dus het risico dat onderzoek niet wordt ingezet om een vraag te beantwoorden, maar om een vooropgesteld antwoord te krijgen. Een handige (sarcastische) handleiding voor hoe ‘je bewijst dat je ontwikkelde therapie effectief is’ wordt gegeven door Cuijpers en Cristea (2016). Uiteraard werd dit allang gedaan voordat die handige handleiding werd gepubliceerd. Zie Stoll et al. (2020) voor een mooi overzicht van de hoeveelheid ‘spin’ die wordt toegepast om in onderzoek naar therapievormen aan te tonen dat de onderzochte therapievorm werkt, ook als de resultaten dat niet laten zien.

Het toepassen van de wetenschappelijke methode, waarbij systematisch data worden verzameld volgens een vooropgesteld plan, en waarbij de vooraf vastgestelde analyses worden uitgevoerd om de onderzoeksvraag te beantwoorden, verkleint deze risico’s.

2.6 Wetenschappelijk onderzoek in de psychologie

Zoals gezegd is het makkelijk om in ruis patronen waar te nemen en is er soms sprake van belangenverstrengeling. Om het risico op verstoorde resultaten te verkleinen is het van groot belang om bij wetenschappelijk onderzoek in de psychologie bepaalde procedures te volgen.

De te volgen procedures komen deels voort uit de vijf basisprincipes die zijn vastgesteld in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, die bij gebrek aan een beter acroniem onthouden kunnen worden als ZOVET:

  • Zorgvuldigheid
  • Onafhankelijkheid
  • Verantwoordelijkheid
  • Eerlijkheid
  • Transparantie

Deze principes worden in meer detail besproken in het hoofdstuk Wetenschappelijke Integriteit.

In de psychologie is er sinds ongeveer 2010 hernieuwde aandacht voor het verbeteren van de wetenschappelijke procedures om de kans op verstoring van onderzoeksresultaten te verkleinen. Dit wordt in meer detail besproken in het hoofdstuk Open Science. Er zijn twee specifieke procedures die vaak terugkomen.

De eerste is preregistratie. Dit betekent dat de methode, procedures, analyseplannen en steekproefberekeningen worden vastgelegd en openbaar gemaakt voordat een studie start. Op de eerste plaats maakt dit het overzichtelijker voor de onderzoekers om te beseffen dat ze afwijken van die planning, waardoor ze deze aanpassingen beter kunnen documenteren en onderbouwen. Bovendien verkleint preregistratie publication bias, het fenomeen dat wetenschappelijke tijdschriften vaak alleen onderzoek met ‘positieve uitkomsten’ willen publiceren. De preregistraties maken het mogelijk om, bijvoorbeeld bij het maken van een literatuuroverzicht, ook de studies te vinden die journals niet willen publiceren. Preregistratie wordt in meer detail besproken in het hoofdstuk Preregistratie.

De tweede belangrijke procedure binnen psychologisch wetenschappelijk onderzoek is full disclosure: het geven van volledige openheid door alle materialen, data en andere producten van een studie openbaar te maken. Hierdoor kunnen andere wetenschappers de data hergebruiken, de analyses controleren en eventueel verbeteren, en kunnen ook materialen zoals vragenlijsten eenvoudig worden hergebruikt. Het produceren van stimuli bijvoorbeeld, kan veel tijd en energie kosten, en dat is meestal gemeenschapsgeld. De geproduceerde stimuli moeten dus ook openbaar gemaakt worden, zodat deze efficiënt hergebruikt kunnen worden. In het hoofdstuk Stimuli wordt uitgelegd wat stimuli precies zijn.

Referenties

Crutzen, R., & Peters, G.-J. Y. (2018). Evolutionary learning processes as the foundation for behaviour change. Health Psychology Review, 12(1), 43–57. https://doi.org/10.1080/17437199.2017.1362569
Cuijpers, P., & Cristea, I. A. (2016). How to prove that your therapy is effective, even when it is not: A guideline. Epidemiology and Psychiatric Sciences, 25(5), 428–435. https://doi.org/10.1017/S2045796015000864
Fisher, R., Aylmer, & Wishart, J. (1930). The arrangement of field experiments and the statistical reduction of the results. https://doi.org/10.23637/ROTHAMSTED.8V20Y
Stoll, M., Mancini, A., Hubenschmid, L., Dreimüller, N., König, J., Cuijpers, P., Barth, J., & Lieb, K. (2020). Discrepancies from registered protocols and spin occured frequently in randomized psychotherapy trials – a meta-epidemiologic study. Journal of Clinical Epidemiology. https://doi.org/10.1016/j.jclinepi.2020.08.013