Hoofdstuk 29 Wetenschappelijke integriteit

In dit hoofdstuk wordt besproken:
  • wetenschappelijke integriteit
  • ethiek en ethische commissies.
Deze stof wordt behandeld in de volgende Open Universiteitscursus(sen):
  • Onderzoekspracticum inleiding onderzoek (PB0212)

29.1 Wetenschappelijke integriteit

Wetenschap is een systematische zoektocht naar kennis volgens principes van wetenschappelijke integriteit. In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit worden deze principes beschreven als eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid (zie link in de box hieronder). Deze principes zijn gericht op ethisch handelen als ook op het hanteren van een zuivere methodologische standaard. Het doel van deze principes is om betrouwbaar onderzoek van hoge kwaliteit te waarborgen. Wanneer bovengenoemde principes niet gehanteerd worden, kan dit zeer schadelijke gevolgen hebben (KNAW; NFU; NWO; TO2-federatie; Vereniging Hogescholen, 2018), bijvoorbeeld aan mensen die aan een onderzoek hebben deelgenomen. Denk aan het Stanford Prison Experiment (Haney et al., 1973) en aan het Milgram-experiment (Milgram, 1963).

Uitkomsten van slecht uitgevoerd onderzoek kunnen ook schade berokkenen in de maatschappij. Een dramatisch voorbeeld hiervan betreft een onderzoek uit 1998. In dit onderzoek werd op basis van gegevens van een zeer kleine steekproef van 12 kinderen een link gelegd tussen de BMR-vaccinatie en het ontstaan van autisme. Vanaf het begin was er twijfel over de kwaliteit en conclusies van het onderzoek. Later bleek dat de onderzoeker selectief 12 kinderen had uitgezocht om zijn verhaal te maken. Ook bleek dat de gegevens in het artikel over de medische toestand van deze kinderen niet correspondeerden met hun medische rapporten. Bovendien was er sprake van belangenverstrengeling en bleek de ethische toestemming voor het onderzoek niet in orde. In een vroeg stadium gaven medeonderzoekers aan niet meer achter het artikel te staan. Later is het artikel op bovengenoemde gronden als onethisch en fraudeleus bestempeld en is de publicatie van het onderzoeksartikel ingetrokken.

Helaas was er tijdens de publicatie van het artikel veel media-aandacht, maar een verband met autisme blijkt in werkelijkheid niet te bestaan (zie de meta-analyse van Taylor et al., 2014). Daarmee heeft dit onderzoek veel angst gezaaid voor vaccinaties met grote maatschappelijke schade tot gevolg. Door de lagere vaccinatiegraad stak mazelen de kop weer op in de Verenigde Staten en Canada, wat voor getroffen kinderen dodelijke gevolgen kan hebben (Sathyanarayana Rao & Andrade, 2011).

In de psychologie en onderwijswetenschappen zijn de objecten van onderzoek meestal mensen. Deelnemers steken tijd en moeite in deelname aan een studie, maar kunnen ook schade ondervinden door deelname. Het is belangrijk om alleen onderzoek uit te voeren waarbij de investering en risico’s in verhouding staan tot de mogelijke opbrengsten. Daarnaast wordt wetenschappelijk onderzoek meestal uitgevoerd met publieksgeld. Dat geeft onderzoekers de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het onderzoek de investering waard is. Het onderzoek moet zorgvuldig en integer worden uitgevoerd en het proces moet transparant zijn. Alleen op die manier is onderzoek repliceerbaar en kan wetenschappelijk onderzoek tot accumulatie van kennis leiden.

29.2 Ethiek en ethische commissies

Het besef dat het belangrijk is om expliciet aandacht te besteden aan ethiek in onderzoek werd voor het eerst geformaliseerd in 1947, toen naar aanleiding van de experimenten in de tweede wereldoorlog de Code van Neurenberg werd geformuleerd. In 1964 werd op basis hiervan de eerste versie van de Helsinki Declaratie geformuleerd. Hoewel beide richtlijnen oorspronkelijk zijn geformuleerd voor medisch onderzoek, worden de onderliggende principes beschouwd als een basis voor ethische besluitvorming bij elke vorm van wetenschappelijk onderzoek met mensen.

Om besluiten te nemen over de ethiek van onderzoek zijn ethische commissies opgericht. Deze ethische commissies maken onder andere een afweging van de kosten – mogelijke negatieve gevolgen voor deelnemers en financiële kosten – en de mogelijke opbrengsten van een studie. Een studie naar pijnbeleving of trauma heeft bijvoorbeeld een groter risico op onwenselijke gevolgen voor de deelnemers dan een studie naar rustgevende effecten van natuurbeleving. En een studie met duizend proefpersonen is aanzienlijk duurder dan een studie met veertig proefpersonen, maar een studie met veertig proefpersonen kan zelden een verband detecteren en is daarmee niet ethisch.

Een ethische commissie besteed ook aandacht aan de bescherming van deelnemers, bijvoorbeeld door nazorg te borgen indien nodig. Verder beoordeelt een ethische commissie of een studie voldoet aan alle regelgeving (bijvoorbeeld met betrekking tot bescherming van persoonsgegevens), of de anonimiteit van deelnemers gewaarborgd is en of er goed met de data wordt omgegaan tijdens en na het onderzoek (zie ‘Datamanagement’ hieronder).

Studies worden dus uitsluitend goedgekeurd als ze methodologisch goed in elkaar zitten en als deelnemers goed behandeld worden. Een slecht ontworpen studie, waar bijvoorbeeld onvoldoende deelnemers worden geworven, kan geen nieuwe kennis opleveren. Het is dus niet ethisch om mensen hieraan te laten deelnemen. Er zal alleen ethische toestemming voor een onderzoek worden verleend als met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de deelnemers geen risico lopen. Als deelnemers wel risico lopen, moeten de mogelijke inzichten die door deze studie bereikt kunnen worden, aanzienlijk zijn. Ook moet duidelijk zijn hoe deze inzichten uiteindelijk kunnen leiden tot verbetering van de kwaliteit van leven van mensen.

29.2.1 WMO, METC en cETO

In Nederland zijn de principes van de Declaratie van Helsinki geïmplementeerd in de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen* (WMO). Deze wet heeft betrekking op “medisch-wetenschappelijk onderzoek waarvan deel uitmaakt het onderwerpen van personen aan handelingen of het opleggen aan personen van een bepaalde gedragswijze” (WMO, artikel 1, lid b). De wet bevat richtlijnen waar dergelijk onderzoek aan moet voldoen. Onderzoek dat onder de WMO valt, mag alleen worden uitgevoerd als dit is goedgekeurd door een medisch-ethische toetsingscommissie (METC).

Het meeste psychologisch en onderwijswetenschappelijk onderzoek is niet medisch-wetenschappelijk en valt dus niet onder de WMO. De richtlijnen van de WMO zijn daarmee niet direct toepasbaar bij ethische toetsing van dit onderzoek. Daarom heeft het Nationaal Ethiek Overleg Sociale en Gedragswetenschappen een gedragscode opgesteld voor onderzoek met mensen (zie link hieronder). Deze gedragscode bevat concrete richtlijnen voor de uitvoering van ethische toetsing en beschrijft welke wetten en richtlijnen gevolgd moeten worden bij de informatievoorziening aan deelnemers, bij de opslag van persoonsgegevens, etc. Bij de Open Universiteit wordt deze gedragscode toegepast door de commissie Ethische Toetsing Onderzoek (cETO). De cETO toetst al het mensgebonden onderzoek bij de Open Universiteit dat niet al door een METC is getoetst.

Hieronder bespreken we een aantal aspecten van onderzoek die ethische commissies beoordelen: informed consent, datamanagement en full disclosure.

29.2.3 Datamanagement

Omdat data de primaire uitkomsten zijn van wetenschappelijk onderzoek, moet onderzoek vergezeld gaan van een datamanagementplan. In dit plan wordt onder andere beschreven hoe data tijdens het onderzoek worden opgeslagen, hoe deze worden geanonimiseerd, wie toegang houden tot de niet-geanonimiseerde (versleutelde) data, en hoe de data na afloop van het project langdurig worden opgeslagen. Naast de data zelf – meestal reeksen letters en cijfers, bijvoorbeeld de leeftijd en IQ-score voor alle deelnemers – beschrijft het datamanagementplan ook hoe met de metadata worden omgegaan. Deze metadata zijn data over de data, die nodig zijn om een databestand te begrijpen. Als er bijvoorbeeld een studie wordt gedaan met een vragenlijst, is die vragenlijst nodig om het databestand met de antwoorden van de deelnemers te kunnen begrijpen. In de praktijk kunnen alle producten van een onderzoek als metadata worden beschouwd. Denk bijvoorbeeld aan

  • de ingevulde informed consents
  • gebruikte materialen, zoals vragenlijsten
  • de ruwe data, bijvoorbeeld de scores op de vragenlijsten
  • de analysescripts waarmee de data zijn geanalyseerd
  • de uitkomsten van die analyses.

In een datamanagementplan leggen onderzoekers uit hoe ze al deze producten zullen opslaan en verwerken. Omdat de meeste van deze producten nodig zijn om de gegenereerde data goed te kunnen begrijpen, zal het meestal nodig zijn om al deze producten langdurig op te slaan samen met de data. In de praktijk manifesteert een goed datamanagementplan zich in een zorgvuldige werkwijze: door vanaf het begin van een project netjes te werken, nauwkeurig alle acties en besluiten en hun onderbouwing bij te houden, en een duidelijke directorystructuur en bestandsnamen te gebruiken, is adequate archivering na afloop heel eenvoudig.

29.2.4 Full disclosure

Full disclosure houdt in dat volledige openheid wordt gegeven over het onderzoeksproces. Hierbij is het belangrijk in gedachten te houden dat de voertaal van de wetenschap tegenwoordig Engels is. Dit betekent dat wetenschappers de verantwoordelijkheid hebben om vanaf het begin van een studie erop te anticiperen dat de producten van die studie zoveel mogelijk toegankelijk moeten zijn voor een internationaal, Engelssprekend, publiek. Dat betekent concreet dat directorystructuren en bestandsnamen Engelstalig moeten zijn, of, als dat niet het geval is, dat er een document met vertalingen bijgevoegd moet worden. Dit geldt ook voor variabelenamen in databestanden.

29.2.5 Referenties

Haney, C., Banks, C., & Zimbardo, P. (1973). Interpersonal Dynamics in a Simulated Prison. International Journal of Criminology and Penology, 1, 69–97.

KNAW; NFU; NWO; TO2-federatie; Vereniging Hogescholen (2018). Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. DANS.https://doi.org/10.17026/dans-2cj-nvwu

Milgram, S. (1963). Behavioral Study of Obedience. Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371–378.

Peters, G.-J. Y., Abraham, C. S., & Crutzen, R. (2012). Full disclosure: doing behavioural science necessitates sharing. The European Health Psychologist, 14(4), 77–84.

Sathyanarayana Rao, T. S., & Andrade, C. (2011). The MMR vaccine and autism: Sensation, refutation, retraction, and fraud. The Indian Journal of Psychology, 53(2), 95-96. http://dx.doi.org/10.4103/0019-5545.82529

Taylor, L. E., Swerdfeger, A. L., Eslick, G. D. (2014). Vaccines are not associated with autism: An evidence-based meta-analysis of case-control and cohort studies. Vaccine, 32(29), 3623-3629. https://doi.org/10.1016/j.vaccine.2014.04.085